Herstel van de Zijkamer

16 november 2017

Ruim vier jaar geleden is de rechter zijkamer op de beletage van Museum Willet-Holthuysen weer ingericht met de meubelen uit het bezit van het echtpaar Willet-Holthuysen. Dit betekende een belangrijke wijziging van de in 1980 gerealiseerde museale stijlkamer.

Deze stijlkamer was een reconstructie van een achttiende-eeuws interieur ingericht met meubelen van elders. Ook de nagelvaste elementen zoals de betimmering, de schouw en het plafond waren grootschalig aangepast en samengesteld met onderdelen uit andere panden met als resultaat een glanzend blauw-en-gouden interieur met een plafondschildering door Jacob de Wit. Dit ‘geconstrueerde’ achttiende-eeuwse interieur vormde meer en meer een vreemde eend in de bijt in het huis van het echtpaar Willet-Holthuysen, dat het vooral van haar authentiek negentiende-eeuwse inrichting moet hebben.

De wens om de negentiende-eeuwse interieurs van de Willet’s te herstellen leefde al langer bij museummedewerkers. Doorslaggevend voor de wissel was het moment dat we ons realiseerden dat we een nog vrijwel compleet ameublement voor de rechter zijkamer in depot hadden. Een set meubels die bovendien qua samenstelling overeenkomt met de summiere omschrijving van de meubelen in de ‘zijkamer’ in de boedelinventaris van 1895, opgemaakt na het overlijden van Louisa Holthuysen. Daarin worden een canapé, achttien stoelen, tafel, buffet, boekenkast, trumeautafel, twee fauteuils, een bijzettafeltje tezamen op fl. 500,- getaxeerd. Het ensemble is waarschijnlijk rond 1865 vervaardigd door de Parijse firma Quignon, in de genre-Louis XVI stijl - het toen populaire idioom aan het hof van keizer Napoleon III van Frankrijk (daar ook wel het. ‘seconde empire’ genoemd). De luxueuze uitvoering van de grote coulissetafel, het kolossale buffet, de penanttafel, de uitgebreide set stoelen, de brede driepersoons bank en de bibliotheekkast maakten dat dit ensemble eigenlijk alleen maar in een hoofdvertrek kon hebben gestaan en de rechter zijkamer van de bel etage was daarvoor de aangewezen kandidaat. Met de terugkeer van het meubilair kon de oude functie van grote ontvangst- en eetkamer weer duidelijk getoond worden. Besloten werd tot een gefaseerde aanpak van herstel van het interieur met als eerste stap het plaatsen van het losse meubilair.

De meubels kwamen  in sommige gevallen voor het eerst sinds 70 jaar uit de opslag en dat betekende dat ze nagekeken moesten worden. Op zo’n moment kunnen meubels vergeleken worden en is er aanleiding om bijvoorbeeld uit te zoeken wat er zoal over de maker bekend is, de Franse firma Quignon. Gedurende de jaren ‘60-’70 van de 19de eeuw blijkt dit bedrijf in Parijs één van de bekendere meubelfirma’s te zijn geweest. Oprichter Napoleon Quignon vestigde zich in 1845 als fabrikant van stoelen - het specialisme van de zogeheten ‘menusier’. Vanaf  ca. 1868 leverde hij echter ook allerlei andere typen meubels, de zogeheten ‘ébénisterie’ - producten.

De meubelen van Quignon waren over het algemeen van goede kwaliteit en zorgvuldig uitgevoerd, waarbij men er niet voor terugschrok nieuw ontwikkelde materialen en technieken toe te passen. Zo werden bijvoorbeeld bij tijd en wijle deuvels gebruikt waar men in het historische voorbeeld pengat verbindingen zou hebben gebruikt. Zittingregels van noten of eikenhout werden aan de achterzijde gelamineerd (opgedikt) met een afwijkende houtsoort - vaak beuken - waarin beter gespijkerd kon worden door de stoffeerder. De typerende nieuwe negentiende-eeuwse methode van comfortabeler stofferen met behulp van springveren werd ook door de firma toegepast. Tenslotte werd reeds een vroege vorm van plaatmateriaal toegepast; een goedkope en homogene houtsoort als populierenhout werd daarbij tot platen verlijmd die dan aan twee zijden met een gestoken fineer van fraaiere kwaliteit zoals eiken of noten belijmd werd.

Karakteristiek voor het ensemble is dus de stijl, een genre Louis XVI met enige barokmotieven wat zich uit in vrij strenge neoclassicistische vormen en ornamentiek. Kenmerkend zijn cannelures in de poten en regels, gestoken rozetjes op de huizen waar poten en regels verbonden zijn, acanthusbladeren en verfijnde profileringen zoals een ‘gewikkeld lint’-lijst. De coulissetafel, het penanttafeltje en het buffet zijn extra rijk uitgevoerd; hier vinden we gebeeldhouwde voluten, meanders en zeer naturalistisch driedimensionaal uitgewerkte slingers en kransen van bloemen, vruchten en korenaren.
Het gebruikte materiaal voor het ensemble is steeds blank notenhout met een fraaie lichtbruine tint en een rustige tekening, afgewerkt met was. Dit wordt afgezet met smalle vergulde profiellijsten. Deze vergulde lijstjes krijgen in de schaars verlichte kamer een extra sterke werking; de zacht glanzende olievergulding weerkaatst zelfs zwakke lichtbronnen en contrasteert hierdoor met het matte notenhout.
De kramerijen (het meubelbeslag) zijn steeds van hoge kwaliteit; fraaie zware vergulde geelkoperen ladetrekkers, zorgvuldig uitgevoerde espagnoletsloten en speunen (scharnieren), de zwenkwielen van massief hoorn.
Het grote buffet (buffet étagère) is met zijn plastisch snijwerk van vruchten, korenschoven en bloemguirlandes een echt pièce de resistance dat tegenover de ramen de focus vormt van de Noordwand. Het verkeerde na langdurige opslag in depot echter in een verwaarloosde staat. Met name de plinten hadden te lijden gehad; verschillende stukken zaten los of waren verdwenen. Door vervorming van het blindhout konden ook enkele deuren en laden niet meer goed open of dicht. Enkele storende scheuren in het snijwerk moesten gesloten worden en natuurlijk moest de sterk vervuilde was afwerking schoongemaakt en opgewreven worden. Het meubel is echter zeer vakkundig geconstrueerd waardoor het verder weinig intrinsieke gebreken vertoonde. Meubelrestauratiebedrijf Bruys en Streep uit Haarlem kon het in relatief korte tijd herstellen.

De coulissetafel is typisch een meubel dat populair werd in de negentiende eeuw. Het ovale tafelblad is tot ruim vier meter uitschuifbaar, waardoor het bij gelegenheid ook plaatst bood aan grotere gezelschappen.
Het tafelblad bestaat uit twee halfronde helften die uiteengeschoven kunnen worden dankzij twee pakketten geleide-regels (Fr. ‘coulisses’) tegen de onderzijde, ter weerszijden van een centrale voet. De opengevallen tussenruimte wordt vervolgens dichtgelegd met losse tussenbladen.
De geleide-regels zijn onderling verbonden door vlindervormige klosjes die in zwaluwstaartkepen in de regels passen. De losse tussenbladen waren meestal uitgevoerd in eenvoudiger houtsoorten dan de tafel zelf – er ging bij gebruik toch altijd een kleed over. Waren ze niet in gebruik dan moesten de tussenbladen elders opgeslagen worden. Ze gaan dan al snel een zwervend bestaan leiden en zijn dan opeens zoek als je ze nodig hebt. Net toen in het restauratieatelier van het museum de eerste nieuwe bladen werden bijgemaakt doken tot onze verrassing alsnog drie originele exemplaren in depot op. Samen met twee nieuwe inlegbladen is de tafel nu weer compleet.

De in totaal ca. 20 stoelen uit het ensemble zijn nog jaren in gebruik geweest als het bibliotheekmeubilair van het Kunsthistorisch Instituut dat tot 1962 in Willet gevestigd was. In verband met dat continue gebruik hebben nog slechts twee stoelen en de bank hun oorspronkelijke groene velours bekleding; bij de rest is dat vervangen door een geelbruine ribcord of een donkerrode velours. Bovendien zijn door het gebruik veel van de stofferingen uit model geraakt - ‘ingestort’ zoals een stoffeerder dat noemt. Ook de typisch negentiende-eeuwse zwenkwieltjes aan de voorpoten hebben zwaar te lijden gehad; veel staan er uit het lood en zijn ongelijkmatig afgesleten. Al met al zijn de meeste stoelen dus niet tip-top maar er is toch besloten ze al neer te zetten. Ze zullen op termijn gerestaureerd worden.

De albumkast was constructief in orde en met een simpel likje was konden de lichte plekken onderaan de deuren op kleur gebracht worden.

Op basis van een afbeelding in de eerste collectiecatalogus uit 1901 is vastgesteld dat de Noord-Duitse renaissance kast uit de collectie Willet-Holthuysen toen in de zijkamer gestaan heeft. In verschillende opzichten is dit een geval apart. De eiken kast is waarschijnlijk afkomstig uit West-Münsterland en dateert mogelijk al uit de 16de-eeuw. Het is - afgezien van de plint die waarschijnlijk in de 19de-eeuw vervangen is - een mix van renaissance en zelfs gotische elementen (de zgn. briefpanelen).
Qua stijl komt het dus totaal niet overeen met het overige ameublement. Bovendien was het als enige meubel toen de kamer werd ingericht reeds een antiek stuk. Hoe het ook zij, er is direct links van de gangdeur plaats voor en kennelijk liet de 19de-eeuwse verzamelaar Abraham Willet hier antiquiteit boven stijlvastheid gaan. Typerend genoeg is een vergelijkbare kast in het historiserende interieur van kasteel de Haar te Haarzuilens bewaard gebleven.

Het herstellen van het zwaar vervuilde en verwaarloosde bijzettafeltje (servant of table fantasie) en penanttafel (console) uit de Quignon set was een dankbare taak voor Lisa Heyn en Theresa Hafemann, twee stagiaires bij het restauratie atelier van het museum. Op het bijzettafeltje had kennelijk jarenlang een plant of iets dergelijks gestaan. Het gevolg: wit uitgeslagen vochtvlekken en een gescheurd en kromgetrokken blad. De afwerklaag van het blad was zo sterk beschadigd dat ze grotendeels opnieuw moest worden aangebracht.

Het witmarmeren blad van het andere tafeltje was grauw van het vuil en diep gekrast. De ladetrekker was ooit geforceerd verbogen en uitgescheurd. Het notenhouten onderstel en met name de bijzonder fijn gebeeldhouwde bloemenvaas op het sportenkruis waren zwaar vervuild.
Het witmarmeren blad is met stoom gereinigd en vervolgens licht gepolijst. De beschadigde randen werden aangeheeld met een mortel van marmerpoeder en polyesterhars. Zowel blad als onderstel kregen weer een afwerking met was.

Plaatsing van de penanttafel en penantspiegel erboven waren extra interessant omdat het hier ging om meubelstukken met een vaste plaats in het interieur -  die dus exact moesten passen. En dat bleek het geval; de breedte en hoogte van het tafeltje correspondeerden met de lambrisering van de penantmuur tussen de ramen, terwijl voor de spiegel de oude ophangpunten in de wand werden teruggevonden onder de nieuwe blauwe verf.

De penantspiegel was behoorlijk beschadigd, maar er is desondanks voor gekozen haar toch op te hangen zonder noemenswaardige behandeling. Ook hier moet op termijn natuurlijk nog aan gewerkt worden.

De plaatsing van een spiegel op de muurdam tussen de ramen is zeer gebruikelijk; daar valt immers het daglicht direct op degene die in de spiegel kijkt.
Het betreft hier overigens geen Quignon product; de spiegel werd geleverd door de firma Wed. G. Dorens & Zn., gevestigd aan het Rokin 56 te Amsterdam. Deze firma die het predicaat ‘hofspiegelkopers’ mocht voeren was een gerenommeerd Amsterdams adres; ze was al in 1770 opgericht en behield een vooraanstaande positie in de gehele 19de eeuw.

Met de terugplaatsing van de penantspiegel lag het voor de hand ook iets van de overige aankleding van de raamwand te reconstrueren.
Hiervoor was een historische foto richtinggevend die conservator Bert Vreeken had opgespoord. Op deze geënsceneerde foto door Cas Oorthuys zijn de illegale activiteiten van het zogeheten ISONEVO vastgelegd die gedurende de oorlogsjaren ’40-’45 in het toen gesloten museum plaatsvonden. Goed kijken leert dat hier de zijkamer is gefotografeerd, door het venster is bijvoorbeeld nog net een stukje van de gevellantaarn zichtbaar.

Op basis van de foto konden de gordijnen en de embrasse- (gordijnkoorden-) haken geïdentificeerd worden die tot dan toe een anoniem bestaan leidden in de museumopslag.

De embrasse haken zijn vervolgens uitgebreid gerestaureerd door Paul Born, de metaalrestaurator van het museum. De haken bleken daarbij elk uit meerdere zorgvuldig genummerde en mooi afgewerkte afzonderlijk gegoten koperen onderdelen te zijn samengesteld.
Analyse verricht door Luc Megens van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed bracht aan het licht dat het gebruikte geelkoper een vrij hoog zink gehalte had, maar geen spoor van vergulding bevatte. De gouden kleur is waarschijnlijk verkregen door een voorbehandeling van zorgvuldig reinigen en vernissen van het metaal.
De restauratie behelsde na demontage onder andere de schoonmaak en het opnieuw lakken. Ook moest een ontbrekend exemplaar bijgemaakt worden. Dit betekende dat van elk individueel onderdeel mallen gemaakt zijn, waarna het nieuwe exemplaar is afgegoten in kunsthars, op kleur gebracht met brons poeder.

Bij het terugplaatsen na de restauratie waren de schroefgaten voor de haken onder de verf nog terug te vinden in de belegstukken (de houten latten ter weerszijden van de schuiframen) en zo hangen ze nu weer exact op hun oude plek.

Ook een tweetal niet geïnventariseerde gordijnkappen (‘galeries’) die qua formaat en ornamentiek goed in de kamer zouden passen zijn aangetroffen in het depot. Eén vertoont een potloodopschrift  met ‘Amstel’, ‘schoorsteen’ en ‘links’ op de achterzijde. Op de ander staat alleen ‘regs’.

Met de gordijnkappen liepen we echter letterlijk aan tegen de beperkingen van onze gefaseerde aanpak. De kamerhoogte is namelijk aanzienlijk verminderd door de plaatsing van het Jacob de Wit plafond in 1980. Hierdoor is terughangen van originele gordijnkappen en gordijnen op de oude hoogte niet meer mogelijk. Er is daarom voorlopig gekozen voor een compromis; replicagordijnen van aangepaste lengte zijn gereconstrueerd van goedkopere stof en provisorisch opgehangen aan het jaren ’80 plafond.

Op deze wijze kan men toch nu al iets van de plechtstatige deftigheid te proeven die er in Willet’s tijd geheerst moet hebben. Het daglicht wordt sterk getemperd en de meterslange gordijnen dragen sterk bij aan de luxueuze sfeer. Samen met het Quignon meubilair is de kamer zo steeds meer een bewoonbaar huiselijk vertrek in plaats van een anonieme museale tentoonstellingszaal. Op den duur valt er echter niet te ontkomen aan verdere aanpassingen als we een volledige reconstructie van het negentiende-eeuwse interieur willen bereiken. Ter vergelijking: een vroege foto uit de catalogus van de Parijse Firma Fourdinois geeft weer hoe rijk de combinatie van kap, vallen en drie (!) stel gordijnen met embrasses er uit kon zien.

Verwijdering van de niet-authentieke plafondschildering zal de oude kamerhoogte terugbrengen. Het originele, tamelijk sobere stucplafond komt dan weer in het zicht, een lichtkroon kan in het midden worden opgehangen en de gordijnkappen kunnen dan ook opnieuw teruggeplaatst worden. Het aanzicht van de raamwand zou verbeteren wanneer de storende radiatoren onder de ramen verdwijnen en de quasi achttiende-eeuwse roedeverdeling in de ramen vervangen is door de T-vensters die er in de tijd van Willet waren.

Foto: Boon’s Magazijn

De huidige schoorsteenpartij is ontworpen in de jaren ’80 bij het toen gecreëerde achttiende-eeuwse stijlkamerinterieur. De originele negentiende-eeuwse groen marmeren schouw is op dat moment verwijderd, maar bleef gelukkig wel in depot bewaard. Ook die zou dus na restauratie terug kunnen keren.

Problematisch is wel dat bepaalde andere interieuronderdelen niet bewaard zijn gebleven of niet teruggevonden zijn. Zo hebben we de schoorsteenspiegel niet kunnen traceren en de schoorsteenboezem is waarschijnlijk in 1980 na de sloop verloren gegaan.
Het vloerkleed dat oorspronkelijk de gehele vloer bedekte is al evenmin teruggevonden.
De nog bewaarde gordijnen zijn niet de originelen maar dateren van recenter datum, waarschijnlijk 1930.
Een aantal kwesties zal nog nader onderzocht moeten worden. We weten bijvoorbeeld dat het houtwerk van de kamer ten tijde van Willet groen geschilderd was, maar welke tint precies? Zoiets geldt ook voor de wandbespanning; ze is herkenbaar op de oude zwart-wit foto van de Noord-Duitse kast en is tegenwoordig nog bewaard door (her)gebruik op een set 18de-eeuwse stoelen en een negentiende-eeuws dagbed uit de museum collectie. Op de bank en enkele stoelen uit het Quignon-ensemble is een groen velours met ander dessin toegepast.

Een laatste nog op te lossen kwestie betreft de verlichting. Naast de traditionele centrale plafondkroon en diverse verplaatsbare kaarsenhouders is er weinig over de historische lichtbronnen in de kamer bekend. Toch moet er extra licht beschikbaar zijn geweest om een voltallig gezelschap te ontvangen en bijvoorbeeld een kunstbeschouwing te laten houden in deze kamer. Recente ‘heropvoeringen’ van zo’n kunstschouw wezen uit dat kaarslicht dan onvoldoende was om de objecten goed te kunnen zien.

Zie de online catalogus voor meer informatie over:

het buffet (KA 9402),
coulissetafel (KA 7079),
stoelen (KA 6844-57, 14256-59),
bank (KA 6843),
albumkast (KA 10294),
renaissance kast(KA 6697),
bijzettafeltje (KA 3165),
penanttafel (KA 9409),
de penantspiegel (KA 9376),
de embrasse haken (KA 28733.3/6),
de gordijnkappen (KA 28733.1/2),
de schouw (KA 22621.1/7),
de gordijnen en een val (KA 13246.1/2 en KA 13247.1/3)

Blijf op de hoogte

Meld u aan voor de nieuwsbrief van het Amsterdam Museum, zo blijft u ook op de hoogte van de activiteiten in Museum Willet-Holthuysen.